De herkomst en het productieproces hebben een grote invloed op de ideale serveertemperatuur. Witte wijnen uit koelere klimaten, zoals Duitsland of Nieuw-Zeeland, hebben een hogere zuurgraad en komen het beste tot hun recht als ze koud geserveerd worden. Daarentegen zijn wijnen uit warmere gebieden, zoals Zuid-Frankrijk of Australië, vaak voller en intenser van smaak, waardoor ze beter smaken op een iets hogere temperatuur.
Daarnaast speelt ook de rijping een rol. Een jonge witte wijn kan een lagere temperatuur goed verdragen. Maar een wijn die gerijpt is op eikenhout heeft wat meer warmte nodig om al zijn complexe aroma’s te kunnen tonen.